terras-bw
terras-bw

Sociale veerkracht van ouderen

Programma Sociale veerkracht ouderen in grootstedelijke context

Veerkracht is een thema wat in de wetenschap veel wordt onderzocht. Geconfronteerd worden met de consequenties van oud(er) worden vraagt om aanpassing- en verandervermogen. Relevant daarbij is de veerkracht (‘resilience’) van ouderen. Veerkracht gaat over het omgaan met risico’s. Oud worden is op zichzelf geen risico, maar gevolgen van oud worden zijn dat vaak wel. Oud worden gaat veelal gepaard met verlies van fysieke, emotionele en sociale mogelijkheden en kansen. Door (inzet van) veerkracht kan beter omgegaan worden met dat verlies of kan in sommige situaties het verlies worden voorkomen. De determinanten van veerkracht zijn biologisch, psychologisch en sociaal. Bij sociale factoren gaat het dan om maatschappelijke positie, maatschappelijke rol en participatie en relationeel netwerk.

Welke veerkracht hebben mensen om met risico’s van verlies om te gaan? Hoe ziet die veerkracht er uit; zijn daar algemene tendensen in te zien? Wat zijn dan de manieren om inzicht te krijgen in die veerkracht? Hoe ontwikkelt veerkracht zich? Is veerkracht te beïnvloeden, en kan veerkracht worden aangevuld?

Doel van ons programma is het werkbaar maken van het concept veerkracht en alle kennis die daarover is, voor de praktijk.

Daarbij sluiten we aan op de ontwikkeling van het denken over gezondheid. De definitie van Machteld wordt daarbij steeds vaker gebruikt: ‘Gezondheid is het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven.’

De vraag voor professionals is ‘hoe doe je dat dan?’ Het benutten van de (verschillen in) veerkracht is daarbij essentieel. Veerkracht gaat over het vermogen tot aanpassing .
In dit programma van het Ben Sajetcentrum wordt gefocust op de wijze waarop veerkracht van ouderen kan worden behouden, benut en uitgebreid, op de rol die professionals daarbij kunnen spelen en op de opleiding die zij daarvoor nodig hebben.

Waarom dit programma

De ouderenzorg staat voor een grote opgave. Er zijn meer ouderen en ze leven langer; een sterke vergrijzing. Ouderen van de (nabije) toekomst hebben andere wensen en behoeften dan vorige generaties. Mensen willen in hun eigen huis (kunnen) blijven wonen met een divers palet aan ondersteuning. De diversiteit onder ouderen is bovendien groot, zeker in een stad als Amsterdam. Culturele achtergrond, sociaal economische status, leefstijl, medische situatie, persoonlijke omstandigheden zijn bepalende factoren voor wensen en behoeften aan zorg en welzijn.
In de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) worden data verzameld van ouderen over meerdere, en voortdurende, periodes. Er is veel informatie over de preferenties en achtergronden, inclusief de verschillen door de tijd, en dus generaties, heen. Deze dataset is van grote nut om zorgvernieuwing van de toekomst vorm te geven.
Oud worden gaat gepaard met risico op problemen, zowel op het gebied van gezondheid als op andere gebieden van het dagelijks leven. De manier waarop iemand omgaat met dergelijke problemen wordt beïnvloed door de aanwezige veerkracht. De veerkracht die men heeft om de gevolgen van ouder worden het hoofd te bieden leidt tot verschil in zorgbehoefte tussen ouderen. De ene oudere gaat anders om met een bepaalde effect van, of aandoening als gevolg van ouder worden, dan de andere oudere. De zorgvraag zal dus, ook al is de aandoening exact hetzelfde, niet gelijk zijn. Naast veerkracht als één van de factoren die de zorgbehoefte bepaalt, speelt het aanbod een rol. In de opvang van de zorg- en ondersteuningsbehoefte wordt meer en meer gevraagd van ouderen zelf. Meer inbreng vanuit het eigen netwerk en het optimaal benutten van informele zorg teneinde de formele zorg zo beperkt mogelijk te houden is daarbij het adagium. Dat is voor veel ouderen geen sinecure.
Hiernaast maken professionals, op alle niveaus, een ontwikkeling door van taakgericht naar maatwerk- en persoonsgericht werken met meer ruimte voor eigen professionele inzichten en gericht op de mogelijkheden en wensen van de betreffende zorgvrager. Dit is gericht op meer maatwerk in de zorg en ondersteuning.
De veranderingen aan de vraag en de aanbodkant van de zorg leiden tot nieuwe vragen en uitdagingen. De verbinding tussen wetenschappelijke kennis en onderzoek, zorg en opleidingen op MBO en HBO niveau, kan helpen om antwoorden te geven en mogelijkheden te creëren.

 

Sociale veerkracht

In dit programma ligt het accent op sociale veerkracht. Naast biologische en psychologische determinanten zijn ook sociale factoren van invloed op veerkracht. Overigens kunnen die sociale factoren ook een positieve bijdrage leveren aan het omgaan met psychologische of biologische effecten van het ouder worden. Bij sociale veerkracht gaat het om een analyse van de sociale factoren en interventies die veerkracht beïnvloeden. Daarbij zijn bepalende factoren: maatschappelijke positie, maatschappelijke rol en participatie en relationeel netwerk. Het type netwerk (familie, vrienden, anderen) en het doel van het netwerk (praktisch, emotioneel, ondersteunend) kunnen daarbij variëren.

Sociale veerkracht ondersteunen, (kunnen) inzetten en vergroten waar mogelijk is de insteek. Hoe kan de professionele zorgpraktijk hier een bijdrage aan leveren, maar ook hoe kan de oudere zelf en de (niet-professionele) omgeving daarin een rol spelen?

De interventies / praktijkoplossingen hoeven daarbij niet altijd sociale middelen te zijn; ook technische oplossingen (bijv. verbeteren van communicatie- en vervoersmogelijkheden) kunnen behulpzaam zijn bij het vergroten van de sociale veerkracht.

Thema’s rond sociale veerkracht die in het programma aan de orde komen betreffen onder andere:
• Veerkracht en kwetsbaarheid
• Sociale en emotionele veerkracht: verschillen en onderlinge relatie
• Sociaal-economische factoren
• Factoren van de grote stad
• Multiculturele diversiteit
• Wat zijn beschermende factoren, welke zijn te beinvloeden?
• Wat gebeurt er binnen opleidingen al op het thema sociale veerkracht?

Programma

De overkoepelende vraag van het programma is: Hoe kan, met behulp van het opleiden en ontwikkelen van professionals, de sociale veerkracht van ouderen en hun naasten en/of directe omgeving worden behouden, versterkt en ondersteund?
Ter bepaling van het focus van het programma is een aantal zaken van belang.

1. Doelgroepen: ouderen en professionals
Het programma kent een primaire doelgroep, ouderen. En een secundaire doelgroep: professionals.
a. Ouderen
Gezien de – mogelijke – preventieve werking van het concept veerkracht is het van belang om er ‘vroeg bij te zijn’. Het accnet ligt niet op de meest kwetsbare ouderen, maar op de groep die – vast te stellen op basis van bekende data en determinanten voortkomend uit het onderzoek naar veerkracht– de grootste risico’s lopen op toenemende kwetsbaarheid maar nog wel redelijk zelfstandig functioneren al dan niet met professionele hulp. Uit het LASA (Longitudinal Aging Study Amsterdam) onderzoek komen gegevens naar voren, die bruikbaar zijn om te bezien welke doelgroep het meest gebaat is bij de /versterking van de sociale veerkracht. Daarbij geldt: determinanten van veerkracht zijn niet altijd of soms helemaal niet beïnvloedbaar, een laag opleidingsniveau bijvoorbeeld. Wel kunnen we zien hoe het effect van deze determinanten kan worden bijgestuurd. Daarbij kijken we ook specifiek naar de grootstedelijke context; ook daarin zijn sommige determinanten duidelijk aanwezig. Het programma richt zich op de groep die nog behoorlijk zelfstandig woont en leeft maar wel te maken heeft met een aantal effecten van ouder worden en op grond van de generalisaties voortkomend uit onderzoeksdata als minder veerkrachtig beschouwd kan worden met het risico op nadelige gevolgen als verminderde kwaliteit van leven, en een grote(re) zorgvraag. Kan sturen op sociale veerkracht helpen om beter om te gaan met de gevolgen van ouderendom en de kwaliteit van leven van ouderen te optimaliseren?
b. Professionals
De genoemde doelgroep is al wel in beeld van de professionals, op verschillende manieren. Dat kan huishoudelijke hulp zijn, de huisarts, welzijnsinstellingen, thuiszorg.. Daarbij zijn niet alleen zorgprofessionals relevant, maar ook professionals en vrijwilligers in zorg en welzijn. Daarom is ook de betrokkenheid vanuit wijken en organisaties van en voor ouderen zelf relevant. Het programma richt zich vergroting van kennis en vaardigheden van een brede groep professionals, van de huisarts tot de huishoudelijke hulp en van de wijkverpleegkundige tot de werkers in welzijn en aanpalende (sport, kunst) sectoren. Ook professionals in (meer) commerciële functies (winkels, buurtbedrijven met veel ouderen als klanten) kunnen hierbij uiteindelijk worden aangesloten. In dit programma richten we ons – vooralsnog – op de professionals die op MBO en HBO niveau opereren. Voor deze groep willen we kennis, interventies en attitude op het thema sociale veerkracht toegankelijk maken via de opleidingen en praktijkleren.

2. Focus op onderwijs en praktijkleren
Het programma richt zich op de benutting van bestaande kennis en niet op het doen van nieuw fundamenteel onderzoek. Om effectieve interventies te ontwikkelen, toe te passen en te evalueren is echter wel begeleidend onderzoek nodig. Begeleidend actie- en evaluatieonderzoek zal deel uitmaken van het programma.
Het programma richt zich specifiek op implementatie van bestaande wetenschappelijke kennis in opleidingen. Zowel initiële opleidingen als bij – en nascholing van professionals in de praktijk.
De nadruk ligt op het ontwikkelen en uitvoeren van opleidingsprogramma’s om professionals van de toekomst toe te rusten in kennis en competenties om sociale veerkracht van ouderen te ontdekken, benutten, versterken en vergroten. Gedacht wordt aan het ontwikkelen van onderwijsmodules en het opzetten van praktijklabs waarin wordt samengewerkt tussen ouderen en studenten. In deze opleidingsprogramma’s ligt het accent op de toepassing van kennis en interventies ertoe bij te dragen dat ouderen hun veerkracht weten aan te spreken en/of te vergroten waardoor zij zelfredzaam blijven.

3. Grootstedelijke context
Het programma richt zich op veerkracht in een grootstedelijke context. Daarbij wordt ingezoomd op een stadsdeel van Amsterdam waar sprake is van grote diversiteit en veel mensen waarvan, op grond van de algemene determinanten, verondersteld wordt dat hun veerkracht suboptimaal is, namelijk Nieuw West. In dit kader wordt aangesloten bij bestaande programma’s van partners (of anderen) van het Ben Sajetcentrum, zoals het programma de ‘Oudervriendelijke Stad’ waar de gemeente Amsterdam cq de GGD een belangrijke coördinerende rol in heeft, de programma’s van het ROC van Amsterdam die binnen Nieuw West belangrijke pijlers van hun activiteiten hebben, en het programma ‘urban vitality’ van de HvA.

4. Deelprojecten
Het programma kent vooralsnog drie deelprojecten.

A. Kennisverzameling.
De wetenschappelijke kennis over sociale veerkracht wordt verzameld en op een toegankelijke wijze in een Ben Sajet cahier uitgebracht.
Voor dit onderdeel wordt een deelproject opgezet waarin wetenschappers van het Amsterdam Center on Aging en betrokkenen van andere organisaties meekijken. Een aanvraag voor financiering, via ACA bij een extern fonds is in voorbereiding.
Dit cahier is het startpunt voor het toegankelijk maken en door-ontwikkelen van kennis en interventies.

B. Proeftuin in Nieuw-West.
In deze proeftuin wordt de doelgroep benaderd, professionals betrokken en interventies, in samenspraak tussen wetenschap en praktijk (= professionals en ouderen) , ontwikkeld en geïmplementeerd met behulp van ondersteunend onderzoek. Waar mogelijk zijn bij dit onderzoek (ook) studenten betrokken. Studenten kunnen zowel in de rol van data-verzamelaar als uitvoerder (praktijkleer opdracht) worden ingezet.
Voor dit deelproject wordt een bredere projectgroep opgezet waarin betrokkenen vanuit de wijk zitting hebben en de uitvoering realiseert en monitort. In deze projectgroep is deelname van wijk- en zelforganisaties noodzakelijk. Deze proeftuin zal in nauwe samenhang met de al lopende of geplande activiteiten in de wijk plaatsvinden.  We zijn als eerste gestart met een bijeenkomst met alle partners van het Ben Sajetcentrum om de eigen activiteiten te bespreken en het enthousiasme te peilen. Het enthousiasme was groot, zoals u kunt lezen in het verslag bijeenkomst 8 maart.

C. Ontwikkeling opleidingsmodules.

Dit deelproject loopt deels parallel aan deelproject B en zal in de proeftuin worden ontwikkeld en getest. De modules hebben een sterke praktijkcomponent en bestaan uit blended-learning (combinatie van face-to-face, praktijk en digitaal leren). Daarnaast zal, als blijkt dat deze programma’s een positieve werking hebben, ingezet worden op een meer structurele inbedding van de kennis en interventies in het beroepsonderwijs.

Naast deze deelprojecten worden ook diverse activiteiten georganiseerd. Dat kunnen thematische bijeenkomsten zijn voor een beperkt gezelschap of een groter ‘event’ voor een brede doelgroep.

Meer weten: neem contact op met Jenneke van Pijpen, programmamanager; jenneke@bensajetcentrum.nl